Niet alleen zit Eric Smeets inmiddels weer achter slot en grendel, ook op andere fronten lijkt het de transformanten niet mee te zitten. Los van hun onlangs mislukte poging (eigen mening op basis van mijn bevindingen) om onder valse vlag kwetsbare groepen mensen in onze samenleving lastig te vallen met hun stukje haat naar jeugdzorg toe, hebben ze nu ook het kort geding verloren, waarmee ze probeerden de pers en het openbaar ministerie de mond te snoeren.
Hoewel de uitslag niet geheel onverwacht is, ben ik toch blij met de inhoud van de uitspraak. Hij laat zien dat ik en trouwens ook andere bloggers (zoals spraakloos) zich wel degelijk binnen de marges van de wet bewegen, als ze uitgaande van de nieuwsfeiten speculeren over een interessante zaak. In principe kan Madbello naar aanleiding van deze uitspraak zijn berichtgeving over de transformanten weer oppakken, zonder zich maar een moment zorgen te hoeven maken over de psycho sommaties van Weski en de Transformanten. Hieronder de tekst van het vonnis:
Eiseres heeft aangevoerd dat de onderzoeksresultaten onvolledig, onjuist en tendentieus weergegeven zijn en dat continue vermelding van haar naam tijdens de uitzending onnodig grievend is, nu haar betrokkenheid niet uit het strafdossier blijkt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de Staat (de minister van Justitie), meer in het bijzonder het OM, het vervolgingsmonopolie rust en hem dientengevolge een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vraag of een strafrechtelijk onderzoek moet worden ingesteld en zo ja, op welke wijze dat onderzoek moet worden ingericht. Vast staat dat de opsporingsberichtgeving een opsporingsmiddel is in strafvorderlijke zin teneinde de opsporing en bewijsvergaring te bevorderen en dat het inzetten van dat middel tot de verantwoordelijkheid van het OM behoort.
De inzet van dat opsporingsmiddel zal in beginsel door de voorzieningenrechter moeten worden gerespecteerd, nu de wet niet voorziet in een voorafgaand rechterlijk toezicht op de opsporing en bewijsvergaring zoals die onder het gezag van het OM plaatsvinden. Het is in beginsel aan de strafrechter om daarover te oordelen. Slechts indien het OM in redelijkheid niet tot het aanwenden van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving had kunnen komen of hij het middel op een manier heeft ingezet waartoe hij in redelijkheid niet had kunnen komen, is mogelijk een rol voor de voorzieningenrechter weggelegd. In het onderhavige geval zou dat bijvoorbeeld zo kunnen zijn indien evident is dat geen enkel onderzoeksresultaat duidt op vermoedelijke betrokkenheid van (één van) de leden van eiseres bij de aanslag.
Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat het programma erop gericht is de Staat in staat te stellen concrete vragen aan het publiek voor te leggen teneinde informatie over de strafzaak te verkrijgen. Het ligt daarom voor de hand dat bij het stellen van voormelde concrete vragen aansluiting wordt gezocht bij de tot dan toe aangetroffen onderzoeksresultaten. Dat het OM een selectie maakt van het in het strafdossier aangetroffen materiaal, teneinde voor de kijker een helder en duidelijk beeld van de situatie te kunnen schetsen, is tegen die achtergrond begrijpelijk. Concrete vragen zijn anders niet, althans nauwelijks te stellen.
Het antwoord op de vraag of de uitzending, die thans nog via het internet is te bekijken onrechtmatig is en rectificatie geboden is, ligt, zoals ook op te maken is uit de onder 1.4 bedoelde Aanwijzing, in het spanningsveld tussen het zwaarwegend opsporingsbelang enerzijds en het recht op privacy en de daaraan gekoppelde bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hier staan dus twee hoogwaardige belangen tegenover elkaar: aan de ene kant de belangen die eisers hebben om niet door uitingen in de pers te worden aangetast in hun eer en goede naam, aan de andere kant het belang dat de Staat heeft om in het kader van het opsporingsonderzoek nadere informatie te vergaren over de strafzaak.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het opsporingsbelang van de Staat in dit geval zwaarder weegt dan het belang van gedaagden op bescherming van hun eer en goede naam. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat de Staat zijn eigen, bij voormelde Aanwijzing vastgelegde, toetsingsmaatstaf heeft nageleefd, hetgeen tot gevolg heeft dat de Staat niet onrechtmatig handelt, dan wel heeft gehandeld, jegens eisers. De grondslag voor de gevorderde schadevergoeding ontbreekt dan ook. De vorderingen van eisers zullen dan ook worden afgewezen.




Leontine
Vanzelfsprekende uitkomst van een onzinnige actie.